Stankproblemen in woningen kunnen zeer hardnekkig zijn. Theoretisch is stankoverlast vrij eenvoudig te beschrijven.

De lucht is de drager van het probleem. En dan nog meer specifiek; het is de ingeademde lucht met daarin vluchtige verbindingen stoffen dat het probleem veroorzaakt. Dit heeft vergaande consequenties voor de wijze waarop stankoverlast benaderd moet worden.

Traditioneel wordt het probleem benaderd vanuit de bron. En van daaruit wordt vervolgens de overlast verklaard. Als de bron overduidelijk is, dan is deze benadering prima. Maar wat te doen in die gevallen waar geen directe bron is aan te wijzen.

Concentratie

Stankoverlast impliceert dat de concentratie van bepaalde vluchtige verbindingen zo hoog is dat de geur ervan als overlast wordt ervaren.

Welke factoren zijn van invloed hierop?

Naast de toevoer heeft de ventilatie (=afvoer) hierop een zeer grote invloed. Praktisch gezien betekent dat als de ventilatie niet in orde is, dan kans op stankoverlast groot is. Zelfs bij een geringe toevoer van de overlast veroorzakende stoffen. De ventilatie en het functioneren ervan is dan ook het eerste wat onderzocht moet worden.

Verspreiding door luchtlekkages

Het belangrijkste mechanisme voor de verspreiding van stank (= toevoer) is luchtstroming. Luchtstromen zijn altijd in een ruimte aanwezig. Maar wat vaak onderschat wordt, zijn luchtlekkages via naden en kieren in bouwkundige scheidingsconstructies. Door luchtdrukverschillen waarbij de wind vaak een belangrijke rol speelt of door thermische trek, kan de hoeveelheid lucht die van buiten de ruimte door deze naden en kieren binnendringt aanzienlijk zijn.

Luchtstromen kunnen er de oorzaak van zijn dat de stankoverlast alleen op specifieke plaatsen in de ruimte wordt ervaren. Daar is dan de concentratie van de “stank” zo hoog dat het ook als zodanig ervaren wordt.

Als de bron zich bevindt in de spouw, de kruipruimte of een andere holle ruimte, ligt hier de sleutel voor het oplossen van het probleem. Namelijk voorkom verspreiding van de stank door naden en kieren af te dichten.

Diffusie en verschil in dampspanning

Diffusie als verspreidingsmechanisme van stank komt in de praktijk niet voor. Wat wel voor kan komen, is een verschil in dampspanning tussen 2 ruimten van de vluchtige componenten die de stank veroorzaken. Dit verschil is dan de drijvende kracht. Als de twee ruimten gescheiden worden door een relatief dun poreus materiaal met doorgaande poriën kan de stank zich verspreiden van de ene ruimte naar de andere. Een voorbeeld hiervan is een zogeheten broodjesvloer van isolatieelementen met een zeer dunne druklaag en een eveneens dunne cementdekvloer daarop.

Bronnen

Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen typen bronnen. Namelijk puntvormige, grote vlakken en “bewegende”.

Kenmerkend voor puntvormige bronnen is dat ze heel lokaal zijn en in de regel een sterke stank verspreiden. Daarbij moet meestal gedacht worden aan rottende muizen en ratten maar ook aan uitwerpselen. Of een “open” riolering.

Een typisch voorbeeld van een “bewegende” bron is de spitsmuis. Die nestelt zich in de kruipruimte en ook in de spouw. Deze kan een enorme stank veroorzaken.

Van een hele andere orde zijn de bronnen die heel groot zijn. Dit kan de muurverf of een tapijtlijm zijn die vanwege de verkeerde verwerkingsomstandigheden niet stabiel is geworden. Het komt bij deze vorm regelmatig voor dat de stank niet altijd aanwezig is maar alleen bij bepaalde condities. Zie ook: Een fris verfje: stank voor dank

Secundaire contaminatie

Als er eenmaal een stankprobleem is, dan worden de vluchtige componenten ervan vaak geabsorbeerd door poreuze materialen. Als de concentratie in de ruimte weer daalt, dan worden deze stoffen weer aan de lucht afgegeven. Dit kan er voorzorgen dat het stankprobleem nog een tijd blijft bestaan nadat de bron verwijderd is.

Plan van aanpak: de eerste stappen

Uit het bovenstaande volgt dat als de bron van de stankoverlast niet direct duidelijk het raadzaam is om de volgende acties te ondernemen alvorens een specialist in te schakelen:

  1. Controleer de begane grondvloer op openingen rondom leidingen e.d. en dicht deze af. Ook als de kruipruimte droog is en zelf niet stinkt. Idem bij kozijnen e.d. in de gevel en dakrand. Dit om de verspreiding van de stank via niet bedoelde luchtstromen te voorkomen.
  2. Controleer de ventilatie. Zijn de benodigde toe- en afvoervoorzieningen aanwezig, bevinden zich onder middels gesloten binnendeuren voldoende grote spleten of zijn er roosters in deze deuren aangebracht? Wordt er voldoende geventileerd? De ventilatietoets van de Woonbond is een uitstekend middel om de ventilatie te controleren. Ook de Toetslijst Veilig en Gezond Wonen is een handig hulpmiddel.

Als bovenstaande acties ondernomen zijn, dan is de kans groot als de secundaire contaminatie na enkele maanden weg geventileerd is, dat het probleem helemaal of grotendeels verdwenen is. Zo niet én de stankoverlast treedt regelmatig en bovendien zeer hinderlijk op dan is het te overwegen om een specialist te raadplegen.

Stankoverlast meten

Wanneer laat je de organische verbindingen die de stankoverlast veroorzaken  meten? Het klinkt misschien vreemd maar het antwoord is: alleen en alleen dan als niet duidelijk is wat de bron is. Én alle openingen waarlangs eventueel de stank in de woning komt, afgedicht zijn.

Van de lucht kan op de plaats waar de stankoverlast optreedt een monster genomen worden. Deze kan olfactorisch (= ruiken met de neus) beoordeeld worden. Hiermee kan stankoverlast objectief vastgesteld worden. Bovendien kan de geur getypeerd worden. Dit levert informatie op over de mogelijke bron. Vaak evenwel ook niet.

Een andere mogelijkheid is om een luchtmonster te nemen middels een zogeheten absorptiemedium dat de vluchtige organische verbindingen uit de lucht opneemt. Er is geen enkel absorptiemedium dat alle organische verbindingen “vangt”. Vaak zijn er meerdere nodig. En dan nog kan slechts een beperkt deel van de mogelijke vluchtige organische verbindingen “gevangen” worden. Er is dus altijd een risico aanwezig dat de stank veroorzakende organische verbinding niet geabsorbeerd wordt.

Vervolgens kan dat absorptiemedium in het laboratorium nader onderzocht op de aanwezige organische verbindingen worden. Aan de hand van de aangetroffen verbindingen moet vervolgens nagegaan worden welke materialen deze bevatten. Dat is zelden één materiaal. Het vraagt nogal veel speurwerk om uit de testresultaten het materiaal te herleiden dat de bron is.

Projecten