Voor de beoordeling van het vochtgehalte van constructies is door het Bouwbesluit 2003 [9] NEN 2778-1991 ‘Vochtwering in gebouwen – Bepalingsmethoden’ [10] aangewezen. In deze norm is vastgelegd dat het vochtgehalte wordt beoordeeld tot een diepte van 10 mm. Dit criterium is op zichzelf niet vreemd. Voor de gebruiker is alleen van belang dat het binnenoppervlak droog is. In de dagelijkse praktijk wordt het vochtgehalte vaak op een grotere diepte bepaald. Als de muur daar droog is, dan zal het oppervlak dat ook zijn. Het omgekeerde is evenwel niet zondermeer waar.

Bij NEN 2778-1991 [10] is de praktijkrichtlijn NPR 2877-1991, ‘Beproevingsmethoden voor de waterdichtheid van scheidingsconstructies’ [11] opgesteld. Deze bevat een aantal nuttige en belangrijke aanwijzingen voor het bepalen van de waterdichtheid van constructies.

Plaats van de vochtbepaling

Voor de hand liggend is dat het vochtgehalte bepaald wordt op de plaats van de schade. Als een constructie gevoelig is voor vochtproblemen, is het aan te bevelen om ook het vochtgehalte aan de eisen uit het Bouwbesluit 2003 [9] te toetsen bij muren zonder direct visueel zichtbare schade. Dit geldt zeker voor woningen, kantoren en musea. Om dit te bepalen dient het vochtgehalte gecontroleerd te worden ter plaatse van de meest kritische plek. Dit is in de regel direct boven de begane grondvloer.

Bij een houten plint kan de discussie gevoerd worden of het vochtgehalte achter de plint of direct boven de plint bepaald moet worden. In het zogeheten kapstokartikel 3.29 van het Bouwbesluit 2003 [9] staat dat de constructie zodanig moeten zijn dat de groei van allergenen voldoende wordt beperkt. Op nat metselwerk zal na verloop van tijd de plint door vocht en schimmels aangetast worden. Hierdoor wordt niet meer voldaan aan het uitgangspunt van het Bouwbesluit. Dit vormt voldoende reden om achter de houten plint te meten.

afbeelding 1

Afb.1: Ten gevolge van vochtbelasting aan de achterzijde aangetaste houten plint Bron: C.A.M. Snepvangers

Aantal monsters

Voor de diagnose van de schade kan veelal volstaan worden met het bepalen van het vochtgehalte van een beperkt aantal monsters. Het WTA – Merkblatt 4-5-99/D [2] geeft aan dat op 1 plek ter plaatse van de schade 6 monsters genomen zouden moeten worden op:

3 verschillende hoogtes en 2 verschillende dieptes.

Bij anderhalf steens of dunner metselwerk zal het laatste vaak moeilijk zijn. Zeker als er een monster genomen moet worden dat 50 à 100 gr weegt zoals de WTA – Technische Voorlichting aanbeveelt.

Bij het aantal van 6 monsters kunnen vraagtekens gezet worden. Impliciet wordt er vanuit gegaan dat er een zeker patroon zal zitten in het verloop van het vochtgehalte. Bij oude muren vertoont de kwaliteit van de gebruikte stenen soms een zeer grote variatie. Dit leidt er toe dat het vochtgehalte ook een grote variatie zal vertonen. Een duidelijk patroon zal zich daarom niet altijd aftekenen.

afbeelding 2a

Afb.2: Verdeling vochtgehalte gemetselde muur op 10 cm diepte, lengte 16 meter Bron: Michael Balak en Anton Pech, Mauerwerkstrockenlegung [12]

Bij het beoordelen van de effectiviteit van maatregelen moet een andere strategie gevolgd worden. Meestal is het niet mogelijk om een groot aantal monsters te nemen. Er zou gestreefd moeten worden naar een beperkt aantal monsters dat voldoende representatief is. Dat het zo niet eenvoudig is, blijkt uit het volgende voorbeeld:

Uit 12 steense bouwmuren worden een aantal jaren na het injecteren steeds op dezelfde plaats 1 monster genomen. Na droging wordt door het injectiebedrijf geconcludeerd dat op twee muren na het metselwerk droog is. Deze conclusie komt niet overeen met het schadebeeld. Op de meeste plaatsen zijn de plinten door houtrot sterk aangetast. Nader onderzoek in opdracht van de eigenaar wijst uit dat het metselwerk op de plaatsen waar de monsters genomen zijn, meestal vernieuwd is. Op de plaatsen met het oude metselwerk was het vochtgehalte onverminderd hoog.

Monstername

De wijze waarop een monster van het metselwerk genomen wordt heeft invloed op het vochtgehalte. Bij het hakken verandert het vochtgehalte nauwelijks. Bij het nemen van boorkernen is sprake van een grotere beïnvloeding. Als de monsters middels boren verkregen worden, kan het kritisch worden. Dit hangt af van het toerental van de boormachine en de diameter van de boor. Bij een sneldraaiende boormachine met een boor van Ø 10 mm zal door de warmteontwikkeling tijdens het boren het vochtgehalte van het boormonster beduidend lager zijn dan het feitelijke vochtgehalte van het metselwerk.

In ‘Mauerwerkstrockenlegung’ [12] geven Michael Balak en Anton Pech een aantal richtlijnen om te grote fouten bij boormeel te voorkomen:

Temperatuursverhoging ten gevolge van het boren mag niet meer zijn dan 15 ºC. Dit is praktisch te controleren of de boorkop niet warmer wordt dan handwarm (35 – 40 ºC); Toerental van de slagboormachine lager dan 300 omwentelingen per minuut; Boordiameter groter dan 20 mm. Bij hardere steensoorten is de warmteontwikkeling vaak zodanig dat boormeel vaak niet de goede methode is om het vochtgehalte te bepalen.

Vooral bij boormeel bestaat de neiging de hoeveelheid materiaal dat gebruikt wordt voor de bepaling van het vochtgehalte beperkt te houden. 10 gr is geen uitzondering. Het WTA – Merkblatt 4-5-99/D ‘Beurteilung von Mauerwerk – Mauerwerksdiagnostik’ [2] geeft aan dat gewicht van het boormeel 50 – 100 gr zou moeten bedragen.

De hoeveelheid boormeel zou afgestemd moeten worden op het te verwachten vochtgehalte van het metselwerk. Bij een zeer hoog vochtgehalte – > 10 % – is het gewicht van het monster niet meer kritisch. Bij een vochtgehalte van enkele procenten is een grotere nauwkeurigheid nodig. Daarom moet in die gevallen het gewicht van het monster groter zijn.

Verpakken monsters

De Darr-methode – droging in een oven bij 105 ºC – vereist dat monsters naar het laboratorium gestuurd worden. Om vochtverlies tijdens het transport te voorkomen, stelt NEN 2778-1991 ‘Vochtwering in gebouwen’ [10] eisen aan de wijze waarop het monster verpakt worden:

Binnen 30 s na de monstername moet het monster verpakt worden in een dampremmend materiaal; Het verpakkingsmateriaal moet een μd-waarde hebben van groter dan 1 meter; Het verpakkingsmateriaal moet het monster volledig omsluiten;

De genomen monsters moeten vervolgens tezamen verpakt worden met een materiaal waarvan de μd-waarde groter is dan 60 meter.n>

Bij boormeel kunnen vragen gesteld worden of de wijze van verpakken adequaat genoeg is om vochtverlies tijdens het transport in de warme kofferbak van een auto voldoende te voorkomen.

Eenvoudiger is om het gewicht van het monster ter plaatse te bepalen. Het vochtverlies tijdens het transport kan dan daarna eenvoudig bepaald worden. De afgelopen jaren zijn er weegschalen op de markt met een nauwkeurigheid van 0,01 gr die “onder de arm” meegenomen kunnen worden naar locatie. Met calibratiegewichten is de werking van deze weegschaal eenvoudig te controleren.

Elektronische vochtmeters

In de afgelopen 10 jaar zijn er steeds meer elektronische vochtmeters op de markt gekomen waarmee het vochtgehalte van metselwerk zonder schade gemeten kan worden. Deze meters zijn relatief goedkoop en daarom aantrekkelijk.

Ook opdrachtgevers zijn hiervan zeer gecharmeerd. Het is niet meer nodig om destructief onderzoek uit te voeren om het vochtgehalte te bepalen. Verder kunnen de opdrachtgevers zelf ter plaatse de meetresultaten zien. Daarnaast kunnen meters niet liegen, menen ze.

afbeelding 3

Afb. 3: Elektronische vochtmeter GANN Sensor B 60 Bron: C.A.M. Snepvangers

Bediening

De elektronische vochtmeters zijn eenvoudig te bedienen. Net als bij de televisie is er geen handleiding nodig om meetresultaten te verkrijgen. Door de eenvoudige bediening wordt de handleiding vaak niet gelezen. Daardoor zijn de beperkingen van deze meters vaak niet bij de onderzoeker bekend. Dit geldt evenzeer voor de factoren die de metingen kunnen verstoren. Vooral zouten en metalen beïnvloeden de meetresultaten van de meeste vochtmeters aanzienlijk en kunnen leiden tot foute conclusies als de verstoringen niet onderkend worden.

Schaal

Opvallend veel elektronische vochtmeters hebben een schaal van 0 tot 100. Deze verdeling zet menigeen op het verkeerde been. Het komt helaas regelmatig voor dat in een rapport staat dat een vochtgehalte van 60 % genoemd wordt omdat de vochtmeter de meetuitslag 60 aangaf. Dat dit laatste fysisch niet mogelijk is, weet menigeen als er concreet naar gevraagd wordt. Toch is het regelmatig in rapporten te lezen.

Een andere factor waarmee meestal geen rekening gehouden wordt, is dat elektronische vochtmeters vaak niet-lineair werken.

afbeelding 4

Afb.4: Non-lineairiteit van elektronische vochtmeters Bron: WTCB, Vocht in gebouwen [13]

Meetdiepte

Elektronische vochtmeters meten het vochtgehalte aan de oppervlakte van een constructie, meestal tot een diepte van 1 à 2 cm. Sommige van deze meters hebben een meetbereik tot een diepte van 3 cm. Over de meetdiepte wordt een gemiddelde waarde bepaald. Voor het stellen van de diagnose is de geringe meetdiepte vaak een probleem. Zo kan het vochtgehalte aan het oppervlak sterk beïnvloed zijn door oppervlaktecondensatie.

Calibratie

De meetwaarden van de elektronische vochtmeters geven geen directe informatie over het vochtgehalte van een constructie. Calibratie van de meetgegevens is alleen mogelijk als de metingen gecombineerd worden met bepaling van het vochtgehalte volgens de Darr-methode. In de praktijk gebeurt dit zelden.

Inzet

Ondanks de beperkingen zijn de elektronische vochtmeters zeer nuttige meters. Vooral om het verloop van het vochtgehalte te bepalen. Het vochtfront is met deze meters op een eenvoudige wijze te bepalen.

afbeelding 5

Afb. 5: Vochtgehalte in % bepaald met elektronische vochtmeter Bron: Foto beschikbaar gesteld door U. Münzenberg

Seizoensinvloeden

In verwarmde gebouwen zonder klimaatbehandeling is de relatieve luchtvochtigheid in een ruimte een functie van: Het vochtgehalte van de buitenlucht; De temperatuur in de ruimte; De vochtproductie in de ruimte; De ventilatie. Dit betekent dat de relatieve luchtvochtigheid in gebouwen zonder klimaatbehandeling in de winter vaak beduidend lager is dan in de zomermaanden. Zeker als er sprake is van een geringe vochtproductie in de ruimte. Een lage relatieve luchtvochtigheid leidt ertoe dat de droging van metselwerk in de wintermaanden veel beter is dan in de zomer. Vooral bij anderhalf steens metselwerk en dunnere muren is dit een factor van belang. Het komt voor dat er in de winter geen problemen zijn en dat in de zomer de problemen zichtbaar worden.

Bij de beoordeling van het vochtgehalte van metselwerk zou hiermee rekening gehouden moeten worden.

afbeelding 6

Afb.6 Verloop van de gemiddelde relatieve luchtvochtigheid in woningen incl. spreiding Bron: Blauwdruk nr 8, Condensatie [14]

Beoordeling vochtgehalte

In het veld zijn er verschillende criteria in omloop om het vochtgehalte van metselwerk te beoordelen. Deze zijn meestal gebaseerd op jarenlange ervaring. Opvallend zijn de grote verschillen tussen de verschillende criteria. Soms wordt een vochtgehalte tot maximaal 4 m/m-% nog als droog beoordeeld. Andere gaan uit van maximaal 1 m/m-%. De verschillen worden wel verklaard doordat de ene zou gelden voor zoutbelaste muren en de andere voor muren zonder zout.

De enige juiste methode is de procedure zoals die in de door het Bouwbesluit 2003 aangewezen norm NEN 2778-1991 ‘Vocht in gebouwen – Bepalingsmethoden’ [10] beschreven wordt. De beoordeling moet gebaseerd zijn op de vergelijking van het gemeten vochtgehalte met het hygroscopisch evenwichtsvochtgehalte. Als deze gelijk zijn, dan er is geen sprake van een verhoogd vochtgehalte.

In de praktijk doen zich een aantal problemen voor met deze methode:

  • In NEN 2778-1991 is vastgelegd dat het hygroscopisch evenwichtsvochtgehalte bepaald moet worden bij een relatieve luchtvochtigheid van 95 % en een temperatuur van 20 ºC. De condities in de praktijk wijken hiervan af. Met name in goed geventileerde en verwarmde ruimten is de relatieve luchtvochtigheid gemiddeld beduidend lager. De verschillen tussen de laboratoriumomstandigheden en de praktijk kunnen ertoe leiden dat ten onrechte een constructie als droog wordt beoordeeld;
  • De desorptie- en absorptiekromme van poreuze materialen laten verschillen zien. De vraag doet zich voor of een gedroogd monster of een nat monster als uitgangspunt voor de bepaling van het hygroscopisch evenwichtsvochtgehalte genomen moet worden.

afbeelding 7

Afb.7: Desorptie- en absorptiekromme van schuimbeton Bron: WTA – Merkblatt 4-11-02/D [15]

Door sommige auteurs wordt wel aangegeven dat het evenwichtsvochtgehalte van boormeel niet representatief is voor het baksteen zelf. Op zichzelf is hiervoor wel iets te zeggen. Mengsels van verschillende zouten in poriën zouden wel eens een ander hygroscopisch gedrag kunnen vertonen dan in boormeel. Of in de dagelijkse praktijk de eventuele verschillen zo groot zijn dat er tot andere conclusies gekomen wordt, is valt te bezien.

afbeelding 8

Afb.8: Variatie hygroscopisch evenwichtvochtgehalte afhankelijk van de korreldiameter Bron: Michael Balak en Anton Pech, Mauerwerkstrockenlegung [12]


Reacties

5. Vochtgehalte — 4 reacties

  1. Ik heb een vraag m.b.t. het meten van de vochtigheid van natte muren als gevolg van lekkage. In de gang, toilet en keuken zijn vochtplekken te zien, niet alle muren zijn vochtig. De lekkage is verholpen, zegt de reparateur, maar de plekken zijn nog zichtbaar. Dat kan nog vocht zijn, wat nog niet is opgedroogd, of de muren zijn wel droog, maar het is verkleuring van de witte stuclaag door de gemetselde stenen achter de stuclaag. Ik wil nu met een relatieve vochtigheidsmeter het verschil meten tussen de verkleurde en de echt droge muren. Wat is het percentage van een droge muur? Dit gegeven heb ik nodig, om het verschil aan te geven aan de reparateur, zodat wij zeker weten of de muren al droog zijn of niet,

    mvg L Bongers

    • Wanneer is een muur echt droog? Om dit te bepalen zijn er twee stappen nodig. Allereerst moet het vochtgehalte bepaald worden en vervolgens het evenwichtsvochtgehalte. Waarom dat laatste. Steenachtige materialen bevatten nog altijd vocht zelfs als ze droog worden beschouwd.
      De enige betrouwbare methode om het vochtgehalte te bepalen is de in dit hoofdstuk beschreven Dar-methode. Dit vraagt om het nemen van monsters uit de muur. Dit laatste is ook nodig om het evenwichtsvochtgehalte in het laboratorium te bepalen.
      Dit is de enige juiste methode bij een dispuut om iets wel of niet droog is.

      Het is het noodzakelijk of een muur absoluut gezien droog is? Het antwoord hierop is nee. Een nieuwbouwwoning bevat veel bouwvocht. Mits het vochtgehalte niet te hoog is, vormt dat geen bezwaar en zal het niet leiden tot schade. In de loop van de tijd verdwijnt het bouwvocht. Afhankelijk van het bouwmateriaal kan dit zelfs tot jaren duren. Voor metselwerk is een goede vuistregel dat het bouwvocht na 1 stookseizoen verdwenen is.

      Een muur die door een lekkage nat is geworden, zal er al gauw maanden overdoen voordat het evenwichtsvochtgehalte bereikt is. Met het herstel hoeft niet zolang gewacht te worden mits de materiaalkeuze hierop afgestemd wordt. Zo zal een dampdichte verf al snel schade laten zien als de ondergrond niet voldoende droog is. Dampopen verven kunnen al veel vroeger aangebracht worden.

      Een ander punt is dat de elektronische vochtmeters niet met elkaar te vergelijken zijn. Waar de één rood uitslaat, geeft de ander aan dat er nog niet zoveel aan de hand is. Daarnaast geldt dat de diepte tot waar ze meten, zeer verschillend is. Regelmatig ontstaan er schadegevallen omdat de elektronische meter aangeeft dat het oppervlak droog is terwijl de lagen verre van droog zijn. Bij een dampdichte of vochtgevoelige afwerking leidt dit dan tot schade.
      De gemeten waarden van de elektronische vochtmeters hangen ook af van het materiaal. Op baksteen zijn de afgelezen waarden anders dan bijvoorbeeld op gips. Als er sprake is van een zoutbelasting dan zijn elektronische vochtmeters al helemaal niet meer bruikbaar.

      Bovenstaande factoren maken elektronische vochtmeters totaal ongeschikt voor een dispuut waarbij objectieve criteria nodig zijn om te bepalen of aan de eisen wordt voldaan.

  2. Kan er mij iemand helpen. Ik zit met vochtprobleem. Ik heb mijn muren laten injecteren door een firma. De eerste maal was niet gelukt. Een tweede maal gedaan. Maar nu constateer ik dat ik met een vochtigheid meter op ruwe steen verhoogde waarden toon. Toen heb ik een gerechtelijke expertise aangevraagd. Mijn meter en die van de expert tonen verhoogde waarden. De firma deed onder onze ogen een carbuurbomtest en het vochtgehalte was 0% zij zeggen dat er zouten in de muur zitten en dat de zouten het water aantrekken. Ik begrijp niet dat een digitale meter van trotec type 650waarden meet van 146. En dat ze dan de carbuurbomtest doen en dat er geen vocht in zit. Kan er iemand mij daar uitleg over geven

    • De calcium carbid vochtmeting is de op 1 na betrouwbaarste. Als er 0 % vocht gemeten wordt, dan twijfel ik echter of de meting helemaal goed uitgevoerd. Afhankelijk van de steensoort zou het vochtgehalte namelijk tussen 0,2 % en 0,6 % moeten liggen. Dit is het natuurlijke evenwichtsvochtgehalte voor baksteen. Een veel gemaakte fout is dat voor de monstername een snel draaiende boor met een kleine diameter wordt gebruikt. Het boren gaat dan wel snel maar er ontstaat zo’n warmte-ontwikkeling dat het boorgruis gaat drogen. Een vuistregel is dat de boor na het boren handwarm mag zijn maar beslist niet warmer. Verder moet het gewicht van het te beproeven monster afgestemd zijn op het te verwachten vochtgehalte.

      Zeker bij ouder metselwerk vertoont de steenkwaliteit een grote variatie. Als slechts 1 calcium carbid vochtmeting gedaan is, dan hoeft de uitkomst ervan niet maatgevend te zijn voor de hele muur.

      De indicatieve digitale vochtmeters zoals de Trotec 650 meten het vochtgehalte van het metselwerk aan het oppervlak. Afhankelijk van de meter is dit tot een diepte van enkele millimeters tot zo’n 2 à 3 cm. Waarbij altijd een soort gemiddelde over de diepte gemeten wordt. Voor een vergelijking met de calcium carbid methode moeten de monsters hiervoor bij het oppervlak genomen en niet van de diepere gelegen lagen van het metselwerk.

      Bij optrekkend vocht kunnen zouten in het metselwerk komen. Deze verzamelen zich na verloop van tijd bij het zogeheten verdampingsfront. Hier worden dan (sterk) verhoogde zoutgehalten gemeten. Deze zouten hebben de eigenschappen dat als ze bij droging kristalliseren watermoleculen binden. De indicatieve digitale vochtmeters kunnen geen onderscheid maken tussen watermoleculen gebonden in een zoutkristal en watermoleculen in een poriën. Indicatieve digitale vochtmeters zijn dan ook niet geschikt als er sprake is van zouten aan het oppervlak.

      Wetenschappelijk gezien kan een vochtmeting pas goed beoordeeld worden als ook het hygroscopisch evenwichtsvochtgehalte van de baksteen bekend is. Pas als het gemeten vochtgehalte gelijk is aan het hygroscopisch evenwichtsvochtgehalte is het metselwerk droog. Vanwege de spreiding in de eigenschappen van baksteen moeten hiervoor meerdere monsters onderzocht worden. Zouten hebben een grote invloed op het hygroscopisch evenwichtsvochtgehalte.

      Kenmerkend is voor zouten in metselwerk is het hygroscopisch vochttransport. Dit is afhankelijk van het relatieve luchtvochtgehalte in de ruimte. Over het jaar gezien varieert de relatieve luchtvochtgehalte sterk. Dit betekent dat er altijd sprake zal zijn van hygroscopisch vochttransport. Het injecteren van metselwerk voorkomt dit niet. Het zorgt er alleen voor dat er niet meer zouten worden toegevoerd.

      Indien er sprake is van zouten dan zal altijd voor een wandafwerking gekozen moeten worden die het hygroscopisch vochttransport niet verhindert. Een voorbeeld is hiervan is een saneerpleister. Er zijn een aantal muurafwerkingen in de markt die het hygroscopisch vochttransport helemaal tegenhouden. Natuurlijk zijn er hierover succesverhalen maar evenzeer zijn projecten waarbij het niet gewerkt heeft of nog erger het probleem verplaatst hebben.

Geef een reactie

Het beantwoorden van vragen op de website is een gratis service die verleend wordt als er tijd voor is. En past in de doelstelling van de website, het geven van voorlichting. Reacties worden dan ook pas na moderatie geplaatst.

AVG:
Het verzenden van een reactie impliceert dat deze opgeslagen wordt in de database van de website en na moderatie op de website wordt geplaatst.

 

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *